Biesbosch waar pa werkte

 Het werk in de Biesbosch                                                                          

Onze opa en vader hebben hier ook aan mee gewerkt, voor dat zij ook vanwege de armoede , naar Berkel en Rodenrijs verhuist, in 1928 .

Mijn vader was toen 18 jaar oud.

Onderstaand verslag vond ik op internet, en het sprak mij erg aan en is heel duidelijk het verhaal wat mijn vader vertelde. met dank aan Joke Streef.

De Biesbosch is ontstaan na de St.-Elizabethsvloed van 1421. In het overstroomde gebied werden weldra platen en banken gevormd, door het zand en slib van de rivieren en de zee, die begroeid waren met biezen; vandaar de naam Biesbosch. In de loop der eeuwen heeft men het water steeds verder teruggedrongen. Kort na 1421 werd de Biesbosch het werkgebied van de vissers. Deze vissers woonden in de rond de Biesbosch gelegen plaatsen. Toen het verlandingsproces doorzette, werd de Biesbosch het werkterrein van biezen- en rietsnijders. Bij laagwater trokken de arbeiders de biesbossen in. Ze namen hun linkerarm vol biezen, sloegen ze met een haak zo kort mogelijk af, en sloegen het vuil eruit. Daarna werden ze opgebost, gelijkgesneden en in een aak geladen. Op een andere plaats werden ze gedroogd en daarna verkocht. Die aak was ook de woon- en slaapruimte voor de biezensnijders. Als de biezengors was "versleten" werd het geschikt gemaakt om er riet te planten. In het voorjaar werd het riet geplant, in de eerstvolgende voorwinter werd het jonge riet gesneden, om te voorkomen dat het door het ijs bij de getijbeweging ontworteld zou worden. Het oudere riet werd elk jaar gesneden. De rietsnijders trokken half november de Biesbosch in.

Ze stonden meestal diep in de modder, sloegen het riet met de riethaak af en daarna werd het gebost met behulp van een "band" d.i. een wilgentwijg. Daarna werd het naar een andere plaats gebracht om te drogen. Daar werd het doorgaans in maart schoongemaakt. Het riet werd gebruikt voor dakbedekking, als rietmat of als plafondbeschot. Behalve rietsnijden en rietschoonmaken moest er ook "gemodderd" worden; de greppels in de rietgors werden uitgediept, hetgeen de rietgroei bevorderde, maar de gors verhoogde. Toen de grond nog hoger werd, ongeveer op vloedhoogte, werden de percelen gebruikt voor grienden. Deze grienden werden van november tot maart om de drie of vier jaar gehakt. Dit werd gedaan door de griendhakkers.

De wilgenstammetjes werden met de rijshaak afgekapt en vandaar over de zware, modderige grond naar de kade, die om de griend heen lag, gebracht.

Omdat de arbeiders in stukloon werkten,werd er in één keer zoveel mogelijk meegenomen. Op de kade werd het verder bewerkt. De griendhakker verwerkte zijn eigen voorraad, daarna ging hij weer terug de griend in of hij ging "bossen", d.i. het bewerkte hout van één soort bij elkaar binden, daarna werd het naar een plaats gedragen waar een schipper het kon ophalen.

Meestal was dit dragen het eerste werk van de dag, wanneer het nog te donker was om te hakken. De grienden en gorzen bevonden zich vaak in een gebied zonder wegen, het vervoer geschiedde dus per boot.

Daarom ook was het voor de arbeiders te tijdrovend om dagelijks naar huis te gaan. Ze bleven in de Biesbosch en woonden deels in keten, in woonarken of in aken. De woonomstandigheden, vooral in de keten, moeten afschuwelijk zijn geweest. In 1906 en 1907 verscheen er in de Nieuwe Rotterdamsche Courant een serie artikelen "Onder de Menschen" -Den Biesbosch in. Daarin werd beschreven onder welke omstandigheden de mensen er moesten werken en leven. In het begin van de 20e eeuw werd de aandacht van de volksvertegenwoordiging er op gevestigd en dan komen er heel langzaamaan verbeteringen. De keten waren eigendom van de Staat, van het Kroondomein en van particulieren.

Alle keten waren hokken zonder enig comfort, de wind waaide er doorheen, het lekte overal, zodat de mensen nogal eens nat wakker werden van de sneeuw of de regen. De grond was bedekt met een laag vuil en de balken waren zwart van het roet; ze hadden meestal een open vuurtje om zich een beetje warm te houden. Men had ongeveer 50 cm. slaapruimte per persoon, ratten waren vaak geziene bezoekers, het zelf meegebrachte eten werd boven het vuurtje gekookt.

Toen de aandacht op deze misstanden gevestigd werd, zou je verwachten dat er snel verbeteringen zouden worden aangebracht, maar dat duurde toch nog lang. Eerst werden de staatsketen verbeterd, de andere bleven zoals ze waren. In 1931 werd er een uitgebreid onderzoek gedaan door de technische ambtenaar van de Arbeidsinspectie. Toen bleek geen enkele keet aan de eisen te voldoen, die in 1924 bij K.B. waren gesteld. De toestanden verschilden weinig met die van 1906/1907. Er werd begonnen met een sanering maar op 1 mei 1939 moesten van de 61 keten nog 17 verbeterd worden.

De economische positie ven de arbeiders was erg zwak. Hun weekloon was gemiddeld f 13,30 dit was in bijna alle gevallen stukloon, en werd naar het aantal bossen gesneden en schoongemaakt riet of gekapt en gesnoeid hout uitbetaald. Alleen de "bazen" kregen een vast loon voor hun toezicht. Het stukloon was onderhevig aan sterke schommelingen, tengevolge van weersomstandigheden en waterstanden. De grondwerkers verdienden het meest f 14,60 en de stekzetters het minst f 12,40. Deze verschillen waren vnl. het gevolg van het feit dat het ene werk nog zwaarder was dan het andere. Verschillende arbeiders hadden zelf een stukje land waarop ze aardappelen en groenten verbouwden. De Biesboscharbeiders werkten 's zomers ook als grondwerker, varensgezel, wegwerker, biezensnijder, fabrieksarbeider, bouwvakarbeider, schilder, visser, rietdekker, boerenknecht enz. Het beroep ging meestal over van vader op zoon. De meeste arbeiders hadden alleen lagere school, enkelen hadden verder onderwijs genoten, maar ook trof men er enkele analfabeten aan. Het gehele maatschappelijke leven van de arbeiders stond sterk onder invloed van hun economische positie. Door de voortdurende aanslibbing en het inpolderen ven stukken land is de Biesbosch steeds veranderd. De grootste verandering bracht de afsluiting ven het Haringvliet tot stand, waardoor het "land van eb en vloed" opgehouden heeft te bestaan. De afsluiting heeft niet tot gevolg dat de groeimogelijkheden voor het hout zijn komen te vervallen, maar de gemiddelde waterstand is onvoldoende om de producten per schip af te voeren.

Er moet dan van andere middelen van vervoer gebruik gemaakt worden,hetgeen weer hogere kosten met zich mee brengt. En de vraag naar de producten is afgenomen, het is vervangen door kunstvezels b.v. nylon-zinkstukken. Door de afsluiting is de groeimogelijkheid van de rietcultuur wel vervallen. Het riet in de Biesbosch krijgt onvoldoende water. Door het verdwijnen van de eeuwenoude cultures verdwijnen ook de griendwerkers en rietsnijders en alle beroepen die hiermee in verband staan zoals hoepelmakers, mandenmakers enz. Daarvoor in de plaats zijn er grote agrarische bedrijven gekomen en waterspaarbekkens. En het Nationaal Park De Biesbosch zal als recreatiegebied dienst gaan doen

Een verslag van Joke Streef

foto willekeurig

Greetje_Roy.jpg